zaterdag 24 juli 2010

Slechts de bomen blijven

er waait al jaren een andere lucht
toch zijn hier nog zoveel lijken
dat de eikenboom steeds zucht
al laat de spar
niets blijken

zijn wortels omvatten tien schavuiten
waarvan men de naam nog weet
die liggen nu voor eeuwig buiten

zij hebben het nooit meer heet

ze zijn niet bang, ze zijn verloren
in het gedonder van een oude strijd
hoeveel baby’s ook zijn geboren
een leven dat verliest
is voor altijd kwijt

men kan wel huilen van verdriet
of lintjes verstrekken van moed en eer
nooit stopt men het bloedvergiet
of ergens anders begint ’t weer

slechts de bomen blijven



Een oud gedicht, nog geschreven naar aanleiding van een excursie naar Ieper. Je weet het wel, Eerste Wereldoorlog, loopgraven, ratten en gas. Vooral heel veel naamloze doden.

donderdag 22 juli 2010

Werelden van haar gezicht

de werelden die op je gezicht
geschreven staan zijn de mijne
niet, nooit geweest

toch omhels ik je, omarm ik je,
droom van je nieuwe wegen die we
uitstippelen op je kaaklijn en het
topje van je neus

je verwondert me in veelzijdigheid,
maar ik smeek je niet te
huilen, niet te lachen, niet te breken
in duizend kleine stukjes

terwijl je verstilt achter brede
oceanen en golven van verdriet

terwijl je

zachtjes begint te smelten, met
alle zoet-zilte dieptes waar ik mijn
vingers leg en je zachtjes kus

je verdwijnt, verwondert, vereenzaamt
tot je was wat ik smeekte je te zijn -
onbreekbaar, onbuigzaam

ver weg van mij, tot je was wat ik
niet ben en we niet meer samen wandelen
omdat jij de weg was geworden

en ik de reiziger

woensdag 21 juli 2010

Jonge mensen die dood gaan

Jonge mensen die dood gaan en hun
voetstappen achter laten op het tapijt en
hun truien nog niet gewassen hebben en

nog niet muf ruiken. Dode ogen door
brillen die achter zijn gelaten, niet dat je iets
ziet maar die bril past bij je en daarom

daarom zetten zij hem bij je op.

Toen je eindelijk zweeg wat ze je zo vaak
hadden gevraagd, toen schudden ze hun
hoofden. De volwassen naar wiens

begrafenis jij had moeten gaan. Bij wiens
kist je kaarsen aan moest steken, maar
pas over zoveel jaar want ze leven nog

en ze maken nieuwe voetstappen tot die
van jou weg zijn. Dan zwijgen ze en staren
ze naar het tapijt en sluiten de kamers vol

schuldgevoel. Omdat je dood bent


en pas zeventien.

Bij het vallen van de nacht

Kus me bij het vallen van de
nacht, laat je vingers vervlechten met
het lantaarnlicht, geur van
jasmijn en mos.

Zachter dan de wind, verder dan het
roepen van de nachtegaal. Verder en
dieper en duizelingwekkend hoger dan
alles. Zo sterfelijk.

Oh zo.

Zoeter dan dromen, verder nog. Zoeter
dan je was in ochtendlicht en
middagdauw. Nooit ouder dan dat,

je huid kreukelt niet maar
verteerd, vervaagt in geuren van regen
en mos.

Zoet diep zoete geuren uit de
aarde rond je voeten, en daar bloeien
struiken in het holste van de nacht. Waar
jij zwijgt vullen wij de stilte op.

Vullen wij het zwijgen,

en gedenken, herdenken. Niet jij, maar

wie je was.

Gevallen engel

Oh, gevallen engel mijns! Zwarte vleugels
zijn als dauw maar dieper dan de
nacht kom je niet. Lager dan de hellevuren
geraak je niet.

Wie ben je dan? Je lichtende woorden
zijn gestorven tussen krakend blad. Jij die geen
werkelijk ongeluk kent, wiens verdriet
niet in striemen je ogen getekend heeft

wiens rug niet gebroken is, wervel voor
wervel uit elkaar geplozen. Oh, gij! Die breekbaar
zijt als morgendauw - enkel omdat je niet
gebroken bent. Niet breken zal. De

angst is erger dan het geleden leed.