maandag 15 augustus 2011

De derde

Ik denk niet langer dat jij dit gevecht
nog winnen zal. Onder het ijs zijn mensen,
anders dan jij, voor mij neergelegd.
Misschien voorzag het, dat ik wensen

zou dat jij niet meer was, maar hij (zij?) wiens naam
ik nog niet ken. Dat als het water zou smelten
tot het water was, de tijd om verder te gaan
gekomen bleek - ik zoek wel een nieuwe held en

jij bent voorbij. De dag breekt open als de nacht
vergaat, de wegen verschuiven, het is te laat
om te blijven. Jij hebt immers te lang gewacht

(of ik op jou). De zon herrijst, de grond blijkt
ook nog steeds vruchtbaar te zijn: hier staat
weer een klaproos die naar boven reikt.

De tweede

Een stille winter, precies zoals je had verwacht
toen je nog klein was, een kind van zomermaanden
die de kou van sneeuw nog niet zo veracht
als ik later zou doen. En ineens waande

ik me weer in een sprookjesland: maar kaal,
niet meer kleurrijk, maar vergeten. De lucht
was stil en grijs, er lag een gat in ons verhaal -
als een einde, of misschien niet, een zucht.

Ik was je vergeten, maar tegelijkertijd niet,
ik vroeg me af wie nu aan je dacht,
of er nog een warm hart was, en liefdesverdriet.

Of dat alles met mij was vergaan tot de rust
in het hart van een orkaan, een soort nacht-
merrie, slechts even in slaap gesust.