Labels

dinsdag 15 juni 2010

Pianomuziek

Hij sloot zijn ogen en voelde hoe slanke vingers zijn lichaam streelden. Hun tedere dans vervulde de ruimte met muziek, raakten hem aan, gleden over zijn lichaam tot hij het diep in zich voelde pulseren voor ze weer loslieten. Aantrekken, afstoten, toonladders vulden de ruimte, omhulden hem, dansten om zijn lompe armen, zuchtten in zijn gezicht.

Ze verleidden hem: de jongen in het midden van de ruimte.



Die jongen was ik en later zou ik mijn leeftijd beschrijven als zeventien jaar, drie maanden, vijf dagen.

Ik zing nog steeds mee op oude liedjes van Abba, die ik grijsdraai omdat ze me bovenal niet herinneren aan die tijd. Er is echter één regel die er steeds uitspringt:

‘Nothing can capture a heart like a melody can’

En niets ving mijn hart als toen de muziek. De muziek uit de lenige vingers, steeds opnieuw de ruimte vullend en steeds opnieuw mijn jongensachtige ademhaling, die de tonen mijn borstkas inzoog tot ze rondjes fladderden door mijn hart.

Ik heb er moeite mee, maar het wordt tijd mijn verhaal op te schrijven. Ik duik weer terug in de oude nevelige mist die ik heb proberen te ontwijken, maar zich steeds opnieuw opdringt:

mijn eerste liefde.

Het zijn herinneringen die terugkomen, als de nacht over het land gevallen is. Hier kun je de immense stilte op je huid voelen drukken, en dwars door de stilte heen neurie ik melodietjes. Half onbewust, half fluitend soms, maar bovenal datzelfde nummer weer. Ik kan het niet vergeten en het staat in mijn ogen nog steeds verbonden met alles. Elke toon staat gegraveerd in mijn ziel met het zachtste penseel dat je je voor zou kunnen stellen.

‘Je bent zo mooi…’ zijn stem was diep en zacht, voegde zich bijna naar de wierookachtige lucht in de kerk, terwijl zijn blauwe ogen even schitterden in het caleidoscopische licht. Een rilling trok langs de ruggengraat van de jongen, terwijl hij even zijn adem inhield. Stilhield, afwachtte. Maar de man zweeg verder en zijn blik verborg zich achter zijn lange wimpers.

Hoe behendig kunnen handen zijn, dat ze onmogelijk te vangen zijn in welke beschrijving dan ook? De jongen op de rand van het bed, schetsend, schetsend. Duizenden tekeningen van mijn hand, handen, vingers, nagels, zachte rondingen, ruwe basislijnen, subtiele golvingen - het potlood draaide en wrong en streelde maar nooit ving het de magie van zijn handen. Zijn vingers, zijn motoriek, zelfs in de schaduwen lag nog muziek verborgen. Die avonden sluimeren nog steeds in mijn herinneringen, waarin het volledig stil was. Ik wenste me alleen nog in zijn opzwepende melodieën te koesteren, zo erg dat ik verder niets dat stilte prefereerde.


Het was mijn moeder die voorstelde op pianoles te gaan. Ze hoopte dat het me minder gesloten zou maken, alsof ik een oester was die opengebroken moest worden om bij de glinsterende parel te komen. In mijn wiskundige liefde en mensenschuwende aanleg zag ze meer verdriet dan ik toen kende, ik was immers slechts een grijze schim en mijn leven werd overschaduwt door gelatenheid en gemoedsrust. Voor haar echter waren het tekenen van een op handen zijnde storm en ze rustte niet voor ik de muziek zou leren kennen. Achteraf gezien heeft het me inderdaad geopend, het heeft mijn hart opengebroken en is er nooit meer weggegaan.

De storm kwam later pas.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen