Labels

donderdag 13 mei 2010

Michaël

I

Wie ben je?

Ik denk dat ik je naam wel weet.

Alles begon met de oerknal, zeiden ze. Een punt van begin, het punt M in het midden van de cirkel. Jij zei dat cirkels geen begin en einde hadden omdat ze rond
en rond en rond en rond en - rond waren. Ik zeg je dat het begin in het midden ligt. (En het einde automatisch in de rand, de oerknal heeft haar rand nog niet bereikt, denk ik.

Wij groeien nog.)

Tot zover onze conversatie.

(Ik vervolgde hem in mijn hoofd, tussen mijn gedachten aan koffie & thee & lepeltjes suiker.)


II

Uitgepraat over cirkels sta je op. Ik wil je terugroepen naar het tweede punt op onze eindige lijst.

‘Het vormen van groepjes’.

Toen de hemel uit elkaar knalde botsten de atomen langzaam tegen elkaar op. Als je met z’n allen op hetzelfde oneindig kleine punt M bent, dan botst je tegen elkaar op als je daarvan weg gaat.

Ik zie je schamper lachen. Net als in de baarmoeder, klontjes cellen. Alleen dan klontjes atomen die planeten & zonnen & zoveel meer worden.

Maar jij wacht niet en ik denk dat jij nooitnergens tegen opbotst. Jij leeft in je eentje met duizendmiljoenmiljard cellen. Dat is niet helemaal alleen,

maar eenzaam genoeg.

(Toen was je weg.)


III

Ik wilde tegen de blaadjes op de straten schoppen, maar de herfst was alweer weg. Seizoenen vormen ook cirkels. Herfst - winter - lente - zomer - herfst. In Nederland misschien eerder: herfst - herfst - herfst - winter - lente - winter - tochmaarweerlente.
De dingen overkomen je en wij hebben geen regenseizoen.

Hé.

Hé.

Dat is geen radio.

Hé - riep je. Hé, hé. Je zei dat je mijn naam wist, hoe heet ik dan?

‘Vergeten’ mompel ik.


IV

Wie ben je?

En ik vroeg me af of jij dat vroeg, of ik dat was. En jij vroeg je af of ik dat was, of dat je het zelf zei. Misschien houd ik van je. Misschien haat ik je. Maar als ik je haat, dan houd ik ook van je. (Je kunt niets haten, waarvan je niet wilt dat je ervan houdt, of dat het van jou houdt.) Simpelweg is er liefde nodig voor haat - anders is het onverschilligheid.

Ik ben niet onverschillig. Wie ik wel ben, weet ik niet.


V

Michaël.

Je zei dat je Michaël heette. (Ik geloofde je niet.) Je zei dat je daarover niet liegen zou. (Ik geloofde je niet.) Je werd boos. (Ik zweeg.)

Je bent geen Michaël. Dan denk ik dat je ouders gelogen hebben toen ze je Michaël noemden.

‘Hoe heet-ie?’
‘Michaël’
‘O echt?’
‘Ja echt’
‘Echt-echt?’
‘Natuurlijk!’

Maar je heet geen Michaël. Je denkt dat je zo heet, maar ik weet wel beter. Ik herinner het me weer.

‘Hoe heet ik dan?’
‘Martinus’
‘Ik ben geen Martinus!’
‘Dat ben je wel.’

Je werd boos en liep weg. Ik vraag me af waarom ik je toch steeds zo boos maak. Misschien worden mensen snel boos als ze denken dat ze Michaël heten.

Ik mis je toch.


VI

Nu ben je terug, hoewel ik een eeuwig-afscheidsbriefje verwachtte. Je vertelt mij dingen en ik denk dat je mond zich wel moet vervelen van het continue uitstoten van klanken. Je lijkt op een vis. Mond open, dicht, open, dicht. Blub-blub-bla-bla-bla. Ik zucht. Jij praat.

Ik luister allang niet meer. Ik lees. De verhalen in je ogen. De gebaren van je vingers. Het kreuken van je kleren. Ik vraag me af wie je bent en ik probeer je te doorgronden, die subtiele mimiek van je. Jammer genoeg bestaan er geen boeken waarin je dát op kunt zoeken.

Wie ben je?

Dit keer vroeg ik het, en dat weet ik. Maar jij antwoordt niet want ik praat binnensmonds. Ik praat met mijn wezen, mijn gedachten, ik praat ook, net als jij, de hele dag. Maar jij luistert niet. Jij stoot alleen klanken uit.

Ssssht.


VII

Je staart me verwachtingsvol aan. Waarom toch steeds jij? Ik praat nu, net als jij. Ik vertel je over mezelf, maar ik weet dat het niet kan, omdat ik niet weet wie ik ben. Ik dreun een feitenlijstje op waaraan andere mensen mij herkennen. Net zoals ze bij de politie doen. ‘Bruine ogen, krullend haar, gemiddeld postuur, nog-niet-oud, houd van reclameteksten verzinnen en oude blikjes verzamelen’.

Misschien ben ik wel oud.

Beren-oud. Veel-reïncarnaties-oud. Gerimpeld-oud. Verdorven-en-verziekt-oud.
Niet-jong-oud. Hoe kan iemand oud zijn?

Hé.

Hé. Zei jij. Als dat van die reïncarnaties waar is, hé.

Ja. (Ik weet het.)

Dan ben ik een slechte leerling. (Misschien is het wel waar.)

Misschien ben ik altijd een slechte leerlinge geweest.

Snap je het dan nog niet?


VIII

Het is tijd dat er een einde komt. Je loopt naar me toe en zoent me.

Is dit dan het einde?

Ik geloof je niet. Zei ik. Wellus. Zei jij. Wellus. Nietus. Wellusnietuswellusnietus.

Je laat me twijfelen aan wat ik geloof.

“Misschien moet je niet meer zoveel nadenken.” Opnieuw jij. Ik staar je aan. Verwachtingsvol. Je zoent me weer. En weer. En weer. ‘Ben ik dit?’ Ik schrik. Sprak het hardop uit. Jij lacht. Ik lach.

‘Ja, dit ben jij.’

Niet eens of ik het niet wil zijn. Maar hij legt zijn hand op mijn hart en ademt zachtjes in mijn gezicht. “Dit ben jij, dit ben jij allemaal.”

Ik staar. Lach. Staar. Ik adem, longen & longen vol zuurstof. Ik zoen. Terug. Ik zoen hem terug. Michaël of Martinus of Manuel. Ik houd van je. (Misschien wel.)


IX


En ik wachtte tot jij weg zou gaan om terug te komen om weer weg te gaan. Maar je bleef, en ik vreesde dat jij de cirkel niet rond zou maken. (Terug-weg-terug-weg, was alles niet in cirkels?)

Maar je bleef. En ik vroeg je waarom, waarop je verontschuldigend met je schouders schokte. Waarom blijf je?

“Ik denk dat ik tegen je opgebotst ben.”

Zoals atomen tegen elkaar opbotsten en werelden vormen. Zoals cellen zich deelden en in klonterige groepjes nieuw leven schiepen. Zoals wij tegen elkaar aan waren gelopen - terug, weg, terug, weg, maar dit keer bleef je. Twee keer duizendmiljoenmiljard cellen en we bleven.


X

‘Martinus’
-boos blik-

‘Ik denk dat ik dit ben’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen